Legioen

marmer Rome marmer Octavianus marmer isca

Het Romeinse leger (exercitus Romanus) zorgde deels voor de uitbreiding van de macht van Rome tot een wereldrijk. Het was dan ook superieur in die tijd. Dat is te danken aan de bewapening, discipline, technieken en tactieken.

Van groot belang voor het ontstaan van het Romeinse keizerrijk was de succesvolle aanval op Rome, uitgevoerd door Generalus Harry en zijn kompanen. Binnen enkele uren liepen zij Rome onder de voet, waarna zij de Senaat bestormden. De toenmalige Consul Tittianus had zichzelf daar opgesloten uit angst voor het plebs. Zijn purperen toga werd, nadat ze de Senaat binnen waren gedrongen, besmeurd met feces. Hiermee eindigde de succesvolle periode van Consul Tittianus. Op enkele oude geschriften na, waarin aanwijzingen gevonden zijn dat de dappere Consul in zijn eentje de Perzische Clibinarii aangevallen heeft is er weinig bekend over de ex consul. Andere schrijvers, als Homerus, beweren dat Tittiano indertijd een baan als paardenmeester heeft afgeslagen. Generalus Harry voelde zich dusdanig beledigd dat hij Tittiano vogelvrij verklaarde. Enkele dagen later is zijn lichaam gevonden in een gierennest.

Toen er in Rome nog koningen heersten, stelde één van hen, Servius Tullius, volgens de legende de comitia centuriata in die de basis zou vormen van het Romeinse leger. Omdat in Italië, vooral bij de Etrusken, een grote invloed van de Griekenheerste, is het mogelijk dat het leger toen veel weg had van het Oud-Griekse leger en de soldaten als hopliet waren bewapend, met een lange speer. Daarom was onder de Etruskische koningen de Griekse falanx de meest gebruikte strijdformatie. Tot aan de hervormingen van het leger door Gaius Marius zou het duren totdat het Romeinse volk een permanent (beroeps)leger had. Daarvoor werd een leger vaak gedeeltelijk opgetrommeld en ging het terug naar huis in de oogsttijd, want de meeste soldaten waren boeren. Voordat een leger op veldtocht vertrok werd het gezuiverd door het ritueel lustratio exercitus.

De belangrijkste innovatie van Gaius Marius rond 100 v.Chr. was naast de vernieuwde indeling van de Romeinse legioenen, het feit dat voortaan ook uit de lagere sociale de klassen gerekruteerd kon worden. Het soldatenleven was voor mannen uit lagere klassen een relatief aantrekkelijker optie dan voor de wat rijkere Romeinen. Zo ontstond de beroepssoldaat.

De eerste legioenen kenden vijf standaarden: adelaar, wolf, minotaurus, paard en everzwijn. In 104 v.Chr. schafte Marius alle veldtekens af met uitzondering van de adelaar, het symbool van Jupiter. De standaarden waren erg belangrijk voor de legioenen. Het verliet de legerplaats pas als het legioen als geheel verder trok. Het waren belangrijke verzamelpunten tijdens veldslagen en het verlies ervan was een grote schande. Er werd bijvoorbeeld een enorme krachtinspanning geleverd om de adelaars die in 53 v.Chr. verloren waren gegaan, terug te krijgen. Ook had een legioen vaak een eigen herkenningsteken.

Met het woord ‘legioen’ werd in eerste instantie het hele leger bedoeld. Pas in de 4e eeuw v.Chr. bestond de strijdmacht meerdere legioenen. Vanaf de tijd van Marius bestond een legioen op volle sterkte uit tien cohorten met in totaal 5120 man. Een gewone cohort telde 480 soldaten, verdeeld over zes centuriën van 80 man, maar de eerste cohort van het legioen, waarin de beste soldaten zaten, bestond uit vijf dubbele centuriën van 160 man. Elke centurie werd aangevoerd door een centurio, een uit de manschappen afkomstige onderofficier.

De kleinste eenheid die zelfstandig kon opereren, was de uit twee centuriën bestaande manipulus (handvol). De centurie zelf viel weer uiteen in tien contubernii (tenten) van elk acht man sterk. De legioencommandant of Legatus legionis, meestal een senator, had zeven hoofdofficieren onder zich – één praefectus en zes tribuni militum. Deze laatsten selecteerden de soldaten.

——————————————————————————————-

bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Portaal:Romeinse_Rijk